Papegaaisbolwerk 

Erfgoed Leiden
Watergasfabriek (1905) en Regulateursgebouw (1902)

Hieronder volgen citaten uit het Open Monumentendagenboekje 2021
ATELIER jelle verheijen heeft ook een beschrijving van de geschiedenis op zijn website staan

In 1845 besloot Leiden gas te gaan produceren en voor het gas een leidingennet aan te leggen. Tot de overschakeling op aardgas in 1967, meer dan 100 jaar later, zou de stad steenkolengas blijven produceren in het gebied tussen de Maresingel en de Langegracht. Deze industriële monumenten in neorenaissance stijl herinneren aan deze periode. Het kleinste gebouw is het regulateursgebouw, in 1902 ontworpen op een T-vormige plattegrond. Oorspronkelijk zaten er maar liefst 5 dubbele deuren in de gevels. Die zorgden ervoor dat de kolen zo efficiënt mogelijk werden doorgevoerd. Karakteristiek aan dit pand zijn de 2 hoge hallen met een rijk gedecoreerde steekbalkenconstructie. Een van de kappen is nog in originele staat. Het andere gebouw is het ketelhuis van de watergasfabriek uit 1905. Dit bestond uit verschillende ruimtes die allemaal een rol speelden in het productieproces. Zowel in het kantoor van de gasmeester als in de machinekamer zijn nog verschillende originele decoratieve elementen in Jugendstil te vinden. De fabrieksschoorsteen en de 2 gashouders zijn vermoedelijk rond 1948 gesloopt. Het regulateursgebouw en het ketelhuis liggen op de route van het Singelpark van Leiden. Onderdeel hiervan is het Energiepark tussen de Langegracht en de Maresingel. Dit gebied is momenteel volop in ontwikkeling. Allebei de gebouwen krijgen in de plannen een nieuwe functie.

Redengevende omschrijving monumentenlijst Papegaaisbolwerk 18 en 20

Geschiedenis van het complex

Op 3 december 1845 besloot de gemeenteraad van Leiden tot de oprichting van een stadsgasfabriek als "toestel tot de algemeene straatverlichting". Met deze beslissing speelde de gemeenteraad in op de ontwikkeling van het gaslicht als straatverlichting in Nederland. Al in 1841 had de Fransman Felix Droiset toestemming gekregen om een fabriekje op te richten voor de vervaardiging van oliegas, dat in ijzeren cilinders aan particulieren verkocht werd.

Daar de economische voordelen van een gemeentelijke gasfabriek evident waren, zette de stadsarchitect Salomon van der Paauw zich in om de mogelijkheden hiervan te onderzoeken, hetgeen leidde tot de beslissing van 1845. Hierin werd bepaald dat er een gemeentelijke gasfabriek zou komen op een gedeelte van de oude stadsvestwal, tussen de begraafplaats bij de Marepoort en de Volderssteeg, welke steenkolengas zou gaan produceren.

Voor de realisatie van de fabriek werd de Londense ingenieur Alexander August Croll aangetrokken. Al gauw bleek de gasvoorziening aan particulieren en neringdoenden een lucratieve zaak. De fabriek groeide gestaag en er ontstond aan het einde van de negentiende eeuw behoefte aan uitbreiding van het complex.

In 1873 werd door aanplemping van een gedeelte van het singelwater het fabrieksterrein uitgebreid. Na verscheidene vernieuwingen en verbouwingen werd in 1902 opnieuw tot een uitbreiding besloten.

Beschrijving van het regulateursgebouw
Fabriekscomplex uit omstreeks 1902, respectievelijk 1905, bestaande uit een hoofdblok, de watergasfabriek, en een bijgebouw, het fabrieksmeter- en regulateurgebouw.

Het fabrieksmeter- en regulateurgebouw) heeft een T-vormige plattegrond en bevindt zich rechts van de voorgevel van het hoofdgebouw, de 'poot' van de T wijzend naar links.

Rondom het gebouw loopt een iets uitspringende bakstenen plint

Bij de zijden met een puntgevel bevindt zich een klimmend fries, de top wordt afgedekt door een overstekende houten daklijst. De overstekende houten daklijst heeft op de oostgevel na, een nokversiering.

Boven venster aan de noordzijde bevinden zich gevelstenen, die respectievelijk het woord 'ANNO' en het jaartal '1902' vermelden.

Puntsgewijze geschiedenis stadsgas Leiden

* Van 1822 tot 1826 verlichtte een lakenfabrikant zijn bedrijf met gaslicht; het gas was gemaakt volgens het procedé van Ds. Koning.
* In 1840 werd in Leiden een fabriek van draagbaar oliegas* opgericht.
* In 1844 stelde de stadsarchitect een plan op voor een gemeentelijke gasfabriek aan de Maresingel, die in 1848 in bedrijf kwam.

Dit was de eerste gemeentelijke gasfabriek in Nederland. De gasfabriek is steeds op het terrein aan de Maresingel gebleven.

Leiden was één van de eerste gemeenten in Nederland die gas ging leveren aan naburige gemeenten, en wel in 1907, aan Sassenheim en Voorschoten; in 1911 werd ook geleverd aan Rijnsburg, Oegstgeest, Warmond, Leiderdorp, Hazerswoude en Zoeterwoude.

In het rapport van de Commissie Van Iterson (1950) wordt Leiden genoemd als de gemeente die, op het gebied van gaslevering op afstand, die eerste plaats inneemt, met levering van gas aan 15 buitengemeenten, waarvoor ca. 170 km transportleiding is gelegd. In 1906 kwam de fabriek van gecarbureerd watergas* in bedrijf.

In 1912 werd, op de Hooigracht 12-16, een toonzaal van gasapparatuur voor verlichting, koken en verwarming geopend. Op de bovenverdieping kwamen kantoren.

In 1953 nam Leiden deel in de Gemeentelijke Gasvoorziening Zuid-Holland en ontving daardoor raffinaderijgas van de BPM (later Shell)-raffinaderij te Pernis.

*Oliegas is de naam van een gassoort die werd verkregen door gasolie tot 600 °C te verhitten, waarbij de koolwaterstofmoleculen tot kleinere fracties werden gekraakt.

De gasolie kwam aanvankelijk niet voort uit aardolie, maar werd gewonnen uit raapoliehars of traan. In 1823 waren er al fabrieken die dit gas vervaardigden.

Het gas werd gecomprimeerd tot 20 atmosfeer. Hierbij werden de nog aanwezige zwaardere fracties weer vloeibaar en konden worden afgescheiden. Over bleef het zogeheten Blaugas, dat voornamelijk uit waterstofmethaan en koolmonoxide bestond. De zwaardere fractie kon opnieuw worden gekraakt, maar ze kon ook als zodanig worden benut en ter plaatse van de eindgebruiker worden verdampt. Dit was het zogenaamde oliegas. Aldus kon een grote hoeveelheid brandstof in een klein volume worden opgeslagen. Het werd gebruikt bij de verlichting van treinwagons, scheepvaartbakens en dergelijke. Ook de Nederlandse Spoorwegen kenden een aantal oliegasffabrieken.

*Watergas is een gasmengsel dat wordt bereid door oververhitte stoom over gloeiende cokes in ovens te leiden. Volgens de onderstaande reactievergelijking ontstaan er koolstofmonoxide en waterstofgas.

C+H2O → CO+H2

Door het inleiden van stoom in de ovens koelt de cokes beneden de 1000°C af. Om deze weer op een temperatuur van 1200°C te brengen wordt er lucht over de cokes geblazen, waardoor er generatorgas wordt geproduceerd. Het inleiden van stoom noemt men de gasgang, het heetblazen van de cokes de blaasgang.

De samenstelling van watergas is 50 % waterstofgas, 40 % koolmonoxide, 4 % stikstofgas en 5 % koolstofdioxide.

De productie van watergas werd in Nederland omstreeks de eeuwwisseling geïntroduceerd voor het opvangen van pieken in de gasafname. Watergas, dat ontstaat door water en cokes bij hoge temperaturen te mengen, was daar bijzonder geschikt voor. Omdat watergasinstallaties snel bedrijfsklaar te maken waren, konden deze een vergelijkbare rol vervullen als later de gasturbine in de elektriciteitsvoorziening. De meeste gasfabrieken bouwden daarom in de volgende decennia een eigen watergasfabriek

Voor hen die meer willen weten over stadsgas in Nederland

Geschiedenis van de techniek in Nederland. De wording van een moderne samenleving 1800-1890. Deel III

(1993)–H.W. Lintsen
Textiel. Gas, licht en elektriciteit. Bouw

Het boek staat digitaal op DBNL, via onderstaande linken te bekijken. 

Algemeen verlichting
https://www.dbnl.org/tekst/lint011gesc03_01/lint011gesc03_01_0006.php 

Gas
https://www.dbnl.org/tekst/lint011gesc03_01/lint011gesc03_01_0007.php

© Copyright Leiden Art Hub